Alles wat je wilt weten over vroeger

Oorlog

De Romeinen hadden een enorm goed leger. Het bestond uit 3 onderdelen :

  • de legioenen (Een leger met Romeinse soldaten)
  • hulptroepen (Een leger met niet-Romeinse soldaten)
  • zeeschepen

De Legionairs waren goed getrainde Romeinse soldaten met veel wapens en mooie kleding. Elk legioen bestond uit ongeveer 5.000 man en het leger had tussen de 25 en 35 legioenen. Een legioen van 5.000 man was onderverdeeld in kleinere groepen. Die kleinere groepen heetten de centuriën. De leider van zo’n groep heette de Centurio(n). 6 Centuriën bij elkaar noemde men een cohort. 10 cohorten samen vormden een legioen. 1 cohort is dus 5.000 : 10 = 500 man.

De legioenen waren meestal te vinden bij de grens van het Romeinse Rijk. De grens moest goed verdedigd worden. De Romeinse burgers waren niet verplicht om in het legioen te gaan. Veel Romeinse mannen gingen toch vrijwillig zo’n 20 tot 25 jaar als legionair op pad. De Romeinse keizer zorgde natuurlijk goed voor zijn vrijwillige soldaten. Als legionairs niet vochten of trainden, bouwden ze Romeinse villa’s of wegen. Vooral arme Romeinse burgers gingen het leger in, want daardoor wisten ze zeker dat ze een goed loon (salaris) kregen. In sommige gevallen kon je zelfs bevorderd worden tot Centurio!

Behalve een helm droeg een legionair ook een pantser, gemaakt van metalen platen met scharnieren. Hij had een schild van 6 kilo bij en wapens : 2 lansen (speren), een ijzeren zwaard en dolken. Alles bij elkaar en alle andere dingen wogen wel 30 kilo samen. De Romeinse soldaten droegen sandalen. Die waren onmisbaar, want soms moesten de soldaten wel 30 km per dag lopen! Vandaar dat de sandalen ook voor een deel van ijzer zijn.

De hulptroepen van het leger waren geen Romeinse soldaten, maar andere mensen uit bijvoorbeeld overwonnen gebieden. Er waren bijvoorbeeld genoeg Germaanse jongens die wel in het Romeinse leger wilden gaan. Ze kregen wel salaris, maar minder dan de echte Romeinse soldaten. De niet-Romeinse soldaten moesten ook langer in dienst, maar kregen na afloop van hun lange soldaattijd een beloning: vanaf dan waren zij officieel een Romeins burger! Ze hadden dan dezelfde rechten als een echte Romein. De hulptroepen werden trouwens steeds belangrijker, omdat het Romeinse Rijk erg groot was. Er waren gewoon veel soldaten nodig!

Romeinse soldaten (en slaven) leggen een weg aan. De wegen werden gemaakt om Romeinse legers snel te kunnen verplaatsen. Voor het eerst in de geschiedenis werden er wegen van steen gemaakt (verharde wegen). Langs de weg stonden mijlpalen. Hierop konden de Romeinen lezen hoe ver het nog was naar de volgende stad. Er stond ook op geschreven onder welke keizer deze mijlpaal was geplaatst. Nadat de Romeinen in West-Europa verdwenen (rond 500 na Christus), werden de verharde wegen steeds slechter en slechter.

In het Romeinse leger zaten niet alleen soldaten. Mensen die heel goed dingen konden bouwen, gingen ook mee. Zij hielpen de soldaten met het bouwen van bruggen, wegen, forten (kastelen), legerkampen en oorlogsmateriaal.

De Romeinse legers hadden zeer goede wapens. Maar ze hadden ook slimme aanvalsplannetjes. De Romeinse legeraanvoerders wisten altijd wel de vijand te verrassen. De soldaten hielden hun schild zo, dat niemand hen kon raken. De soldaten hadden een goede discipline. (Zij luisterden goed naar hun leider en deden precies wat hij zei) Als je niet gehoorzaamde, kreeg je erge straffen.

Romeinen algemeen

Maatschappij

Bouwwerken

Goden

Pompeï